Wat heb je nodig?
3 kaartjes van 6 bij 6 cm: een rood vierkant, een blauw vierkant en een zwart-wit gestreept kaartje
1 vel papier met een grote stip in het midden
2 helpers
1 liniaal van 30 cm
20 cm schilderstape
1 potlood
- Veiligheid
Een volwassene bevestigt de kaartjes zonder punaises en zorgt voor normaal kamerlicht. Schijn niet met lampen in ogen en gebruik geen snel flitsende beelden; stop bij oogklachten.
- Stappenplan
1
Plak het vel met de stip op een muur op ooghoogte. Ga op ongeveer 1 meter afstand staan en kijk de hele tijd recht naar de stip.
2
Helper 1 houdt een kaartje naast de stip, ongeveer 50 cm opzij, zonder het te laten bewegen; de andere helper noteert of je iets ziet en of je de kleur of strepen herkent.
3
Herhaal terwijl helper 1 hetzelfde kaartje daar zacht op en neer beweegt; blijf naar de stip kijken.
4
Laat helper 1 de kaartjes in willekeurige volgorde tonen, stil en bewegend, en zeg telkens wat je opmerkt.
5
Breng een kaartje in stapjes van 10 cm dichter bij de stip tot je details kunt noemen; meet ongeveer waar dat lukt.
6
Vergelijk waarneming van beweging, kleur en fijne strepen. De grens kan per persoon en belichting verschillen.
- Waarom werkt dit?
Midden in je blikveld zie je fijne details scherper. Verder opzij zijn je ogen minder goed in kleine details, terwijl beweging soms toch opvalt. Een kaartje kan daarom wel zichtbaar zijn zonder dat je de strepen goed kunt benoemen.
Wat heb je nodig?
3 kaartjes van 6 bij 6 cm: een rood vierkant, een blauw vierkant en een zwart-wit gestreept kaartje
1 vel papier met een grote stip in het midden
2 helpers
1 liniaal van 30 cm
20 cm schilderstape
1 potlood
- Veiligheid
Een volwassene bevestigt de kaartjes zonder punaises en zorgt voor normaal kamerlicht. Schijn niet met lampen in ogen en gebruik geen snel flitsende beelden; stop bij oogklachten.