Wat heb je nodig?
1 stevig potlood
2 stukken touw van 30 en 60 cm
2 identieke grote propjes boetseerklei van elk ongeveer 20 g
1 rol tape
1 tafel
1 timer
1 meetlint
- Veiligheid
Laat een volwassene controleren dat het potlood en de knopen stevig vastzitten. Houd gezichten en breekbare spullen uit de zwaaibaan; slinger niet hard.
- Stappenplan
1
Plak het potlood stevig dwars aan de rand van de tafel en bind de twee touwen ongeveer 10 cm uit elkaar vast.
2
Maak aan elk uiteinde evenveel klei vast en meet de afstand van het potlood tot het midden van elke kleiprop.
3
Trek de korte slinger ongeveer 5 cm opzij, laat los zonder te duwen en tel tien volledige heen-en-weerbewegingen.
4
Meet hoeveel seconden die tien bewegingen duren en herhaal de meting twee keer.
5
Doe hetzelfde met de lange slinger, vanuit ongeveer dezelfde kleine hoek.
6
Vergelijk de tijden van tien bewegingen; wissel desgewenst de kleiproppen om en controleer of het verschil blijft.
- Waarom werkt dit?
Een lange slinger heeft meer tijd nodig om heen en weer te zwaaien dan een korte. Bij kleine uitslagen bepaalt vooral de lengte de slingertijd; de massa van gelijke kleiproppen is hiervoor niet belangrijk.
Wat heb je nodig?
1 stevig potlood
2 stukken touw van 30 en 60 cm
2 identieke grote propjes boetseerklei van elk ongeveer 20 g
1 rol tape
1 tafel
1 timer
1 meetlint
- Veiligheid
Laat een volwassene controleren dat het potlood en de knopen stevig vastzitten. Houd gezichten en breekbare spullen uit de zwaaibaan; slinger niet hard.